De meest gehouden vis ter wereld
De guppy is niet voor niets hét beginnervis bij uitstek. Hij stelt weinig eisen aan waterkwaliteit, is levendbarend (geen ei-fase), eet alles en vergeeft fouten die andere soorten fataal zouden zijn. Tegelijkertijd is hij dankzij zijn enorme kleurenvariatie ook interessant voor gevorderde hobbyisten die selectief kweken.
Mannetjes zijn de showdieren: kleine, sierlijke vissen met waaierstaarten in alle kleuren van de regenboog. Vrouwtjes zijn groter, grijs-zilver en minder opvallend, maar cruciaal voor de kweek. Houd je geen jongen, koop dan uitsluitend mannetjes — een volière met alleen prachtige mannetjes ziet er geweldig uit.
Wateromstandigheden en inrichting
Guppy’s zijn extreem aanpasbaar. Ze gedijen in zacht én hard water, bij lage én hoge pH, en overleven zelfs kleine temperatuurschommelingen. Dat maakt ze perfect voor beginners die nog leren waterkwaliteit te sturen. Toch groeien ze het mooist in licht hard, neutraal tot licht basisch water (GH 10–15, pH 7.0–7.8) met een stabiele temperatuur van 22–26 °C.
Inrichting: veel planten voor dekking (java mos, hornkruid, waterweegbree). Guppy’s zullen de vegetatie niet verwoesten maar profiteren van schuilplaatsen, zeker vrouwtjes die rust zoeken na de bevalling.
Voeding
Guppy’s zijn omnivoor en eten vrijwel alles. Geef een kwalitatief vlokkenvoer als basis en wissel af met:
- Levend of diepvriesvoer — artemia, muggenlarven, Daphnia. Versterkt kleur en bevordert kweek.
- Plantaardig voer — spirulina-vlokken, algenwafers. Goed voor de darmgezondheid.
- Granulaat — zinkt langzamer dan vlokken, minder verspilling.
Geef kleine hoeveelheden twee keer per dag; wat ze in 2 minuten opeten is genoeg.
Kweken
Guppy’s zijn levendbaarders: vrouwtjes bevallen van volledig gevormde jongen (15–80 per worp, afhankelijk van leeftijd en grootte). De draagtijd is 26–31 dagen bij 24–26 °C. Kenmerk: het gravid spot — een donkere vlek vlak voor de anaalvin die donkerder wordt naarmate de bevalling nadert.
Jonge guppy’s (fry) zijn direct zelfstandig maar klein en kwetsbaar. Ze overleven in een goed beplante hoofdbak als er genoeg schuilplaatsen zijn. Voor maximale overlevingskans: gebruik een aparte kraamkamer of breng het vrouwtje een week voor de bevalling over naar een geïsoleerde bak.